De periode van de Vrede van Utrecht betekende op het gebied van literatuur de overgang van een oud systeem van literatuur (met de richtlijnen van Aristoteles) naar ‘moderne’ literatuur. Er werd steeds meer proza geschreven en onderwerpen als eigen ervaringen, seksualiteit en maatschappijkritiek waren steeds vaker te vinden in literatuur. Deze verschuiving werd vooral door de intellectuele bovenlaag van de samenleving veroorzaakt, maar drong geleidelijk ook in steeds lagere kringen van de samenleving door. Literatuur is dus verschoven van het schrijven over idealen aan de hand van vaste regels, naar het schrijven over de werkelijkheid met daarbij meer vrijheid voor de schrijvers.
Maar hoeveel vrijheid is wenselijk in de literatuur? De vastgelegde regels zoals die van Aristoteles zorgden er misschien voor dat de creativiteit van de auteur te beperkt bleef, maar wordt de auteur tegenwoordig niet te weinig aan banden gelegd?
Tot het eind van de 17e eeuw was het model van Aristoteles gangbaar in de literatuur. Volgens het Aristoteliaanse model is mimesis het belangrijkste doel van kunst en literatuur. Mimesis betekent letterlijk nabootsing of representatie.
Dus volgens Aristoteles moet kunst de realiteit laten zien, maar het is niet de bedoeling dat literatuur de werkelijkheid letterlijk kopieert. Zo kan het zijn dat een karakter in een dichtwerk een nabootsing is van een mens in een algemene vorm. De dichter bootst dus iets na wat hij in algemene vorm in mensen heeft gezien.
Literatuur moet dus niet vertellen wat er echt is gebeurd maar wat zou moeten gebeuren. De werkelijkheid is vol veranderingen en verval, terwijl literatuur beschrijft wat blijvend en perfect is. Een voorbeeld is dat een kind altijd als gehoorzaam gerepresenteerd moest worden in plaats van als een ondeugend, imperfect kind, want een ideaal kind is immers gehoorzaam. Dit model zien we terugkomen bij schrijvers uit de 17e eeuw zoals Vondel en P.C. Hooft.
Literatuur vs. geschiedenis
Volgens Aristoteles is er een contrast tussen literatuur en geschiedenis. Literatuur moet gaan over wat plaats had kunnen of had moeten vinden, niet over wat daadwerkelijk plaats heeft gevonden. De auteur moet de werkelijkheid dus weergeven zoals deze zou moeten zijn. Geschiedenis daarentegen gaat over specifieke feiten zoals ze echt zijn. Aristoteles vindt literatuur beter dan geschiedenis, omdat literatuur in staat is de werkelijkheid te overtreffen.
Er werden in navolging van Aristoteles meerdere Poetica’s opgesteld waarin werd beschreven hoe de literatuur eruit zou moeten zien. Per genre waren er regels opgesteld waaraan de schrijver zich moest houden. Er was dus weinig variatie mogelijk; een auteur moest zich bij het schrijven van een tekst aan deze regels houden. Deze vaste kenmerken werden ook wel topen genoemd. In een hofdicht moest bijvoorbeeld altijd de tuin van iemand uit een hoge klasse besproken worden. Hierbij moesten er veel versieringen in de tekst voorkomen, ook wel ornati genoemd. Een voorbeeld hiervan is het hofdicht van Ad. Reets uit 1699.
My dunkt ik zie de ruime poort,
Zo ’t schijnt, terwijl ik sta daar buiten,
Als of zy had mijn zang gehoord,
Zich zelven voor my open sluiten.
Hoe heerlijk is deez Tuin gesierd!
Twé Galleryen dicht omtogen
Met groente, dat daar rondsom zwierd,
Vertoonen zich hier aan onze oogen.
De boomen zijn met schoone vrucht
Beladen, die haar sap verkrijgen
Door de aangenaame zomerlucht;
De groenten, bomen en vruchten worden hierin niet simpel beschreven als mooi, maar er wordt heel lyrisch over gesproken.)
Het doel van zo’n hofdicht met veel opsmuk was om te laten zien dat de eigenaar van de beschreven tuin een bevoorrecht mens is. Opvallend is dat altijd alleen de tuin beschreven wordt, terwijl het huis achterwege wordt gelaten. Dit komt doordat het huis door de mens gemaakt is, terwijl de natuur Gods creatie is.
Naast het hofdicht waren er veel andere genres, waarbij een onderscheid gemaakt werd tussen hoge en lage genres. Onder lage genres vielen bijvoorbeeld de klucht en puntdichten. Dit waren grappige, vaak onzedige stukjes tekst, met weinig versieringen. Hier tegenover stonden de hoge genres met veel versieringen: het epos, hofdicht en tragedie. Deze genres gingen over mensen van hoge stand (koningen en edellieden) en opperwezens (zoals goden en de maan).
In de loop van de 17e eeuw verminderde het gebruik van de richtlijnen van Aristoteles steeds meer. Er ontstond een nieuw genre: het reisverhaal. Dit genre werd eerst niet gezien als literatuur, omdat het niet voldeed aan de eisen van Aristoteles. Reisverhalen zijn namelijk gebaseerd op echte gebeurtenissen en werden daarom meer gezien als geschiedenis. Omdat dit nieuwe genre niet in de verschillende Poetica´s beschreven werd, waren er ook geen specifieke regels waaraan een reisverhaal moest voldoen. Hierdoor kregen schrijvers meer vrijheid dan voorheen. Andere nieuwe genres waren pornografie en de roman.
Met de oprichting van de VOC werd er veel over de wereld gereisd en kwamen de Nederlanders steeds meer in aanraking met buitenlandse producten en culturen. Voorheen was hun aandacht vooral op hun eigen land gericht, maar met de opkomst van de wereldreizen werden ze nieuwsgierig naar ander culturen en gebruiken. De verhalen die verteld werden door de wereldreizigers, leerden de Nederlanders meer over het buitenland.
Een goed voorbeeld van een reisverhaal is De scheepsjongens van de Bontekoe, waarin de waargebeurde belevenissen van kapitein Bontekoe werden verteld. Toch is het niet zo dat reisverhalen puur gebaseerd waren op de werkelijkheid. Vaak werden hoofdpersonen in het verhaal beter gepresenteerd dan dat ze eigenlijk waren.
In de loop van de 18e eeuw werd het reisverhaal steeds populairder. Schrijvers konden ook veel variatie aanbrengen binnen dit genre. Dit resulteerde in het imaginaire reisverhaal. Dit is een reisverhaal dat helemaal verzonnen werd door een schrijver. Vaak gebruikten schrijvers hun verhalen om de lezer iets te laten beseffen. Door in het verhaal bijvoorbeeld te vertellen over een land dat op een andere manier bestuurd werd dan Nederland, wilde de schrijver de lezer na laten denken over het bestuur in het eigen land en over welke van de twee regeringsvormen beter is.
Naast het maatschappijkritisch denken werd ook pornografie een belangrijk onderdeel van de literatuur rond 1700. Deze pornografie is echter niet te vergelijken met hoe we die vandaag de dag kennen. De pornografie van die periode werd geschreven door intellectuele mannen, vóór intellectuele mannen. In de stukken werd vooral aandacht besteed aan hoe men met het menselijk lichaam om moest gaan en hoe het lichaam precies werkt.
Verder werd in de loop van de 18e eeuw ook de roman steeds populairder. Het woord roman betekent letterlijk: niet in het Latijn, maar in het Romaans (de volkstaal) gesproken. Schrijvers van romans wilden verhalen vertellen die de mensen amuseerden en die daarnaast ook een literaire waarde hadden.